Waarom kiest u ons?

Deskundig

30 jaar ervaring

Betrokken

Uw belang is ons belang

Doelmatig

Vlot, efficiënt en effectief

Betrouwbaar

Wij komen onze afspraken na

Klanten die u voorgingen:

"Paul Van Hoef is een zeer goede advocaat die voor mij op een vlotte correcte en praktische manier een (vertrek)regeling heeft getroffen. Zeer aan te bevelen, goede adviezen en zeer duidelijke uitleg."

Is geuroverlast van een veehouderij aan te pakken?

Geuroverlast wordt als hinderlijk ervaren. Is tegen bestaande geuroverlast van intensieve veehouderijen wat te doen? Lees hier het genuanceerde antwoord.

In mijn eerste blog in deze serie “milieuoverlast” heb ik het volgende geschreven: Teruggekeerd van vakantie las ik in De Limburger van 29 juli jl. over de aanpak van stankoverlast door veehouderijen: “Als ze beschikken over een geldige vergunning, staat de gemeente machteloos.” Is dat eigenlijk wel zo? Geldt "eens vergund, altijd vergund" of kan een vergunning aangepast worden? In deze vierde blog geef ik antwoord, waarbij ik mij tot de intensieve pluimvee- en varkenshouderij beperk.

Wanneer ik als advocaat voor u, ondernemer/veehouder of omwonende, wat betekenen kan, leest u in de laatste alinea van deze blog.

Voorgrond- en achtergrondbelasting

Het lijkt mij verstandig om eerst enkele begrippen uit te leggen. Het berekenen van de geuremissie van een veehouderij is op zichzelf niet moeilijk. Het gaat om de geuremissie vanuit dierenverblijven door dieren met een geuremissiefactor. De geuremissie van bijvoorbeeld een mestbassin telt dus niet mee.

Zo heeft één legkip in een bepaald soort stal een geuremissiefactor van 0,25 Odour eenheden per seconde (Ou/s). Bij 10.000 legkippen in die stal worden dus (10.000 x 0,25 =) 2.500 Ou/s uitgestoten. Door de uitkomst van alle stallen bij elkaar op te tellen krijg je de totale geuremissie per seconde van die pluimveehouderij.

De geurbelasting in Odour eenheden per kubieke meter lucht (Ou/m3 lucht) op een bepaald geurgevoelig object wordt vervolgens uitgerekend door alle, relevante gegevens (hoeveelheid emissie, plaats en hoogte emissiepunten, doorsnee van de schoorsteen, afstanden enz.) in het programma “V-Stacks vergunning” in te voeren.­ Zo bereken je de geurbelasting door deze veehouderij op dat bepaalde, geurgevoelige object.

Dit wordt voorgrondbelasting genoemd. De geurregelgeving in de Wet geurhinder en veehouderij en in het Activiteitenbesluit gaat uitsluitend over deze voorgrondbelasting.

Iedere plek en ieder geurgevoelig object heeft (ook) een (geur)achtergrondbelasting. Dit is de totale geurbelasting op die plek respectievelijk op dat object, die met behulp van het programma “V-Stacks gebied” berekend wordt. Deze achtergrondbelasting is met name van belang om in het kader van de goede ruimtelijke ordening te bepalen of ter plekke sprake van een goed woon- en leefklimaat is.

Geurhinder

Een begrijpelijke redenering is: “De achtergrondbelasting is per definitie gelijk aan of groter dan de voorgrondbelasting. Dan is het berekenen van de achtergrondbelasting voldoende om te bepalen of er sprake van een goed woon- en leefklimaat is.” Toch gaat deze redenering niet op. Door uitgebreid onderzoek is immers vastgesteld dat een bepaalde geurbelasting vanuit één bron als hinderlijker ervaren wordt dan dezelfde geurbelasting uit verschillende bronnen. Als - de getallen zijn niet reëel - de voorgrondbelasting 15 en de achtergrondbelasting 20 Ou/m3 lucht is, dan zal de voorgrondbelasting de meeste geurhinder veroorzaken.

Meer dan 40.000 kippen

Een intensieve pluimveehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor kippen en een intensieve varkenshouderij met óf meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg óf meer dan 750 plaatsen voor zeugen - dit zijn zogenaamde IPPC-inrichtingen - moet een milieu-omgevingsvergunning met voorschriften hebben.

Deze voorschriften moeten voldoen aan de toepasselijke Best Beschikbare Techniek-conclusies (BBT-conclusies). Voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij zijn vrij recent, op 15 februari 2017, nieuwe BBT-conclusies gepubliceerd. De BBT-conclusies 12 en 13 gaan over geuremissies. In een onderliggend BBT-referentiedocument (BREF) uit 2017 worden de technieken beschreven.

Het bevoegd gezag moet de voorschriften binnen vier jaar na de publicatie aan deze nieuwe BBT-conclusies toetsen, zo nodig actualiseren en na de actualisatie controleren of aan de nieuwe voorschriften voldaan wordt.

De BTT-conclusies 12 en 13 en de onderliggende BREF zijn zeer omvangrijke documenten. Om te zien wat er veranderd is, moeten de oude BBT-conclusies en de oude BREF met deze nieuwe vergeleken worden. Het is zeker interessant en nuttig om dat te doen, maar dit valt buiten het bestek van deze blog.

Hoe dan ook, binnen vier jaar betekent dat het bevoegd gezag er bij wijze van spreken gisteren al mee begonnen kon zijn. Deze verplichte actualisatie kan er uiteraard toe leiden, dat bestaande rechten ingeperkt worden.

Wet geurhinder een veehouderij

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een milieu-omgevingsvergunning of een verandering ervan boven een bepaalde geurbelasting geweigerd. Afhankelijk van het omgevingstype mag de maximale geurbelasting vanuit de dierenverblijven door dieren met een geuremissiefactor niet meer dan 2,0 tot niet meer dan 14,0 Ou/m3 lucht zijn (2,0 in de bebouwde kom bij een niet-landbouwconcentratiegebied en 14,0 bij het tegengestelde).

Bij verordening kan de gemeente deze normen verlagen of verhogen. Voor het beperken van geurhinder is uiteraard alleen het verlagen interessant. Ik merk volledigheidshalve op dat een dergelijke geurverordening (dus) de aangepaste norm voor de voorgrondbelasting (op een bepaald geurgevoelig object door een enkele veehouderij) geeft.

Alleen de berekende geurbelasting telt

Voor het maken van geurvoorschriften mag alleen van de berekende en niet van de gemeten, werkelijke geurbelasting uitgegaan worden. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft er in haar illustratieve uitspraak van 13 december 2017 samengevat het volgende over gezegd:

"Indien juiste toepassing van de geuremissiefactor uit de Rgv leidt tot een resultaat dat afwijkt van de werkelijke geurbelasting, kan dat (...) geen reden zijn om op dat resultaat een correctie aan te brengen door middel van het verbinden van extra voorschriften aan de vergunning, (...)."

Tot en met 40.000 kippen

Voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen met minder dan de hierboven genoemde dierplaatsen moet een zogenaamde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aangevraagd worden. Aan deze OBM kunnen geen voorschriften verbonden worden; zij kan alleen verleend of geweigerd worden. Voor geuremissies is er geen weigeringsgrond.

De OBM-inrichting moet voldoen aan Afdeling 2.3 “Lucht en geur” en met name aan paragraaf 3.5.8. “Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven’’ van het Activiteitenbesluit.

De normen voor geurbelasting zijn dezelfde als hierboven bij de Wet geurhinder en veehouderij aangegeven is. Er kunnen evenwel geen maatwerkvoorschriften gesteld worden. Verlaging van de normen als door een geurverordening bij de Wet is dus niet mogelijk.

Goede ruimtelijke ordening

In het bestemmingsplan kunnen bepaalde normen voor de achtergrondbelasting opgenomen worden, mits deze gelet op de bestaande rechten en belangen in het kader van de goede ruimtelijke ordening te verantwoorden zijn.

Machteloze gemeente

Via een geurverordening kan de toename van de voorgrondbelasting door een IPPC-inrichting wel geblokkeerd worden, maar aan de bestaande rechten doet dat niets af. Voor beperking van de achtergrondbelasting via het bestemmingsplan geldt wat de bestaande rechten betreft hetzelfde.

Het actualiseren van de vergunningvoorschriften van IPPC-inrichtingen op grond van de nieuwe BBT-conclusies als hierboven aangegeven kán leiden tot inperking van bestaande rechten, maar of die nieuwe conclusies de geurhinder ook feitelijk beperken, moet nadere onderzocht worden.

Het antwoord op de in inleiding van deze blog gestelde vraag is, dat de gemeente - op grond van de tot nu toe bestudeerde regelgeving - inderdaad machteloos is om bestaande geurhinder van een veehouderij te bestrijden, als de omgevingsvergunning in orde is.

Wanneer kan ik als advocaat wat voor u betekenen?

Antwoord: bij verandering (uitbreiding) of als de veehouderij niet overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning in werking is. Dan komen vragen aan de orde als: Wordt de grens- of de richtwaarde overschreden? Is er nog sprake van een goede ruimtelijke ordening? Is legalisatie mogelijk?

Als advocaat overzie je als juridisch deskundige het geheel. Je weet waar de juridische knelpunten zitten, waarop de zaak gewonnen of verloren kan worden, wat je door anderen moet laten onderzoeken en hoe de feiten het best gepresenteerd kunnen worden.

Artikel geschreven door Paul van Hoef

Paul Van Hoef is al ruim dertig jaar uw betrokken en betrouwbare advocaat. Uw belang is zijn belang, hij stopt pas als alle wegen zijn benut. Hij is ijzersterk als het aankomt op het oplossen van juridische puzzels. Vervolgens kan hij dit duidelijk uitleggen, waardoor u te allen tijde weet waar u aan toe bent. Hierdoor kan hij u goed bijstaan om een juridisch conflict te voorkomen of te winnen.